Routine

Inmiddels maken we elke avond, een uur nadat we hebben gegeten – wat we meestal rond vijf of zes uur doen, ongekend laat voor Macedonische begrippen, maar daarover een andere keer meer – een wandeling langs het meer, op het (meestal) verlaten strand dat nog geen vijf minuten lopen van ons huis ligt. Vijf minuten lopen naar een in totaal dertig bij vijftien kilometer groot meer is een luxe die ik me al zo’n achtentwintig jaar veroorloof.

Het is ook routine. Het paadje, de straat en het grasveld dat we al die jaren oversteken richting het water zijn nauwelijks veranderd. Steeds dezelfde wandeling, en toch steeds weer die overweldigende aanblik van dat water, die lucht, die bergen, en de zon die op gepaste tijden dat al perfecte landschap in het licht zet. Routine, heb ik geleerd, kan ook een luxe zijn.

En dan nog zijn er durfals in de familie die zich hardop hebben afgevraagd waarom ons huis niet nóg wat dichter bij het meer is gebouwd. Zeg, pal áán het meer, zodat je vanaf de tuin, waarin altijd een zwembad wordt gefantaseerd, de verre verte in kan turen. Bouw zelf maar een huis, is doorgaans het antwoord.

Het is overigens maar goed dat ik mezelf heb opgedragen mijn fotocamera altijd mee te nemen, waar ik ook naartoe ga, anders had ik deze beelden moeten uitleggen met beschrijvingen als ‘roze verlicht’ en ‘spiegelglad meer’ en dan waren het in de hoofden van velen maar kitscherige plaatjes geweest.

Zusjes

Mijn oma Marija is opgegroeid in een groot gezin; ze heeft zeven zussen en een broer. Van die zeven zussen zijn er inmiddels drie overleden – haar oudste nog levende zus, Vida (84), woont in Struga, een plaatsje op een kwartier rijden van Ohrid. Struga (spreek uit: Stroega, rollende ‘r’, achter-in-de-keel-liggende ‘g’) staat bekend om zijn internationale poëziefestival, dat elk jaar in augustus wordt gehouden.

Eergisteravond, op een doodgewone zondag in mei, waren we in Struga zodat twee zussen – de een actief en praatgraag, de ander kalm en een beetje verward (“het is de leeftijd”) – elkaar weer even konden zien.

Het ging, zoals dat gaat, veel over vroeger. Over het geboortedorp van de zussen, een paar kilometer van Struga, iets hoger gelegen, in de bergen: Labuništa. Wat er van was geworden (“er staan nu kasten van huizen”), en hoe het ooit was geweest (“op het plein werd altijd gedanst”). Je hoefde geen vragen te stellen; anekdotes leken in hun geheugen gegrift te staan.

Samen met de rest van het gezelschap, dat bestond uit Vida’s zoon en zijn gezin, grapten we uiteindelijk dat de vrouwen met hun eeuwige commentaar op verwaterde familiebanden steeds meer gelijkenissen begonnen te vertonen met de grumpy old men uit The Muppets-serie. Ze lachten flauwtjes en pakten elkaars handen nog wat steviger vast.

Nog één week

Over precies een week rijden mijn lief en ik in een volgepakte auto via Wenen en Belgrado naar Ohrid, Macedonië. Naar ons vakantiehuis aan het meer van Ohrid, naar mijn oma die daar, sinds mijn opa anderhalf jaar geleden overleed, alleen woont. Zeven maanden blijven we daar vervolgens. We nemen kleding, boeken en drie instrumenten mee. De hangmat ligt er al.

We gaan een tijd leven naar het ritme van de Ohridjani: relaxed, bourgondisch, met aandacht voor natuur, familie en eten, terwijl we ons het grootste deel van de dag verschuilen in onze werkkamer. Want we willen schrijven, muziek maken en lezen.

Fotograferen.

Tekenen, als het uitkomt.

Koken.

Zwemmen, als het warmer wordt in mei.

Nog één week.