Geld is geld, vonden wij

Als kind verzamelde ik briefjes van tien denar. Waarde per biljet: 16 cent. Zoals elk kind kocht ik er af en toe ijsjes mee, maar liever gaf ik het helemaal niet uit. Samen met mijn vriendje Zoki uit de straat – hij was meer van de rinkelende munten dan van het papiergeld – telden we dagelijks onze buit, bijeengeraapt uit verschillende voor- en zijvakjes van rondslingerende tassen waarin het volgens ons toch maar lag te verpieteren. Vergeten geld van onze vaders die het liefst geen portemonnee bij zich droegen, van onze moeders die bij voorkeur alleen met pasjes afrekenden. Soms vroegen we er heel eerlijk om, maar dan visten ze naar een reden. ‘Snoep’ werd na een tijdje het codewoord, want sparen deed je niet, als achtjarige. Wisten zij veel dat we spaarden voor een hele bérg snoep.

Een stapel van tien briefjes leek al heel wat. We lieten ze stuk voor stuk door onze handen glijden, bouwden taarten van lagen papier waarvan de uithoeken uiteindelijk perfect op elkaar kwamen te liggen. Eén scheve kon resulteren in een waaier aan briefgeld, in de ineenstorting van het zorgvuldig samengestelde pakket. Als ik niet goed telde, werd het stapeltje uit mijn handen gerukt en begonnen we opnieuw aan onze verfomfaaide bouwwerkjes. Tien, twintig, dertig, veertig. De nieuwere waren het mooist, hun kleuren het felst en het minst versleten, maar de gescheurden mochten, gladgestreken en platgedrukt, toch op de stapel. Geld is geld, vonden wij.

Toen mijn opa onze obsessie ontdekte, lachte hij en zei: ‘Moet je voorstellen waar dat geld al is geweest, Arjaatje.’ Met een stapel van vijftien op elkaar gerangschikte briefjes in mijn handen – de gehavenden onderop, de gaven in het zicht – keek ik naar hem op, verward. ‘In de broekzak van een vieze man die zijn handen niet wast na het plassen, of, van de grond geraapt, precies daar waar die kat van hiernaast altijd pist.’ Ik wist precies waar de kat van de buren altijd piste, maar ik kon me niet herinneren dat ik daar ooit geld had gevonden. Zoki rook aan een van de briefjes. Hij schaterde het uit en keek zowaar trots naar mijn opa. ‘Ruik dan!’ zei hij. Ik rook eraan. Misschien was het toeval maar twee maanden later, thuis in Nederland, kreeg ik mijn eerste Pennie Rekening.