De schepping van Ohrid

Terwijl we vanaf zijn balkon de haven van het meer van Ohrid overzagen, vertelde onze vriend Damjan hoe Ohrid was ontstaan. Het was natuurlijk maar een mythe, zei hij, maar vast een die we nooit eerder hadden gehoord. We spitsten onze oren.

God creëerde uiteraard het paradijs en was daar nogal tevreden over, begon Damjan, toen achter hem ineens een donker gestalte opdook. God keek om en zuchtte. Satan. Wat nú weer. (Damjan kon zich goed inleven in God, zelfs zijn stem klonk dieper dan normaal.) Satan, die niet zonder reden was komen aanwaaien, negeerde de geërgerde blik van zijn aartsvijand en zei vastberaden en op schelle toon: ‘God, kom op, laat mij nou óók eens iets moois creëeren. Een leuk landschapje, een hoge berg, een vulkaan…’ Toen God niet gelijk zijn wens inwilligde, begon hij te smeken zoals hij nooit eerder had gedaan. Dat kon God wel bekoren, die uiteindelijk antwoordde: ‘Nou, vooruit. Je mag één oord scheppen, en daarna wil ik er nooit meer iets over horen. Goed?’ Satan gniffelde binnensmonds en droop af.

Een paar uur later schiep Satan Ohrid.

De twee grootmachten ontmoetten elkaar nogmaals en keken toe hoe de zon het meer en het eraan vastgekleefde stadje goud verlichtten. ‘Maar Satan,’ zei God bijna verbaasd, ‘dit is een prachtig oord dat je hier geschapen hebt! Het oogt zo vredig en zo sereen! Het is zo bescheiden en één met de natuur’, waarop Satan zei – en hier wreef Damjan met zijn handen over elkaar, trok hij zijn wenkbrauwen op en sperde hij zijn ogen wijd open: ‘Wacht maar tot je ziet welke mensen ik erin heb gestopt.’