De fiets, de bal en het vest

Vijf, zes jongens in de leeftijd van acht tot twaalf lopen via Tropical en de supermarkt DON richting de moskee. Eén houdt met twee armen stevig het stuur van een zwartrode crossfiets vast en laat deze zigzaggend naast zich voortbewegen. Nog een ander – haren voor de ogen hangend, huppelend op afgetrapte Adidas-gympen – trapt verveeld een lekke voetbal vooruit. Een kartonnen geval haast, zonder lucht, het glimmend wit verborgen onder een dikke laag vuil van zand, grind en uren plezier.

Vandaag is de stoep de weg en de weg de stoep. Het is zondag, laat in de middag, en de wijk krioelt van de groepjes kinderen die, elk door kleurrijke attributen omgeven, uitkijken naar het eerstvolgende park of afgedankte speelplaats om te hangen en vieze woorden te roepen naar voorbijgangers die het lef hebben hen langer dan vijf seconden aan te kijken. Een parkeerplaats zal dit keer moeten voldoen.

Een vrouw, gekruld tot de schouders, schrijdt voorbij met een te zware boodschappentas, waar nog net een prei en twee rollen wc-papier uitpiepen. Het is het strakke groene topje dat haar navel bij elke linkerpas ontbloot. Ze is niet mooi, maar verzorgt zich goed, aan haar egale huid te zien. Haar nagels zijn blauw gelakt. Bij het zien van een jongen die zijn kartonnen speeltje op een autoruit laat ketsen, stopt ze, legt ze haar hoofd schuin en steekt ze rechterlijk haar vinger omhoog. Ze perst haar lippen samen en schudt afkeurend met haar hoofd. Er rijdt een bleekoranje Zastava voorbij; omdat hij moet afremmen voor een overstekende kat herkent de groep Toše Proeski uit de speakers, de Macedonische popster die enkele jaren geleden op 26-jarige leeftijd verongelukte. Een paar zinnen worden meegezongen.

Nu valt het pas op: er klinkt ook gejammer uit het huis boven de buurtsuper. Traditioneel volksgezang. De vrouw heeft de tas ondertussen neergezet, buigt naar voren zonder zich druk te maken om het fraaie uitzicht dat ze de jongens biedt en zucht diep. Van de prei zie je alleen nog het groene topje. Ze kijkt nog een keer op, legt het schouderbandje van haar hemdje recht en wijst naar de donkerblonde jongen wiens handen een paar minuten geleden nog aan de hendels van zijn fiets leken vergroeid. Hij legt het voertuig in het zand en loopt met zijn kin op zijn borst naar de vrouw. Bijna tegelijk probeert de jongen de tas op te tillen en voor de vrouw uit te lopen. De remmen waren toch al kapot.

Een man in een rolstoel rijdt midden op de al smalle weg, hij heeft een fluoriserend geel vest aan. Langzaam stuurt hij naar wat zijn doel blijkt te zijn: twee bejaarde mannen, beiden bemutst, zittend op kleine houten krukjes met drie minuscule koffiekopjes binnen handbereik. Wanneer hij stil komt te staan, piepen de banden. Ook zij zien wat er aan de overkant van de weg gebeurt. De man met de rode muts knikt. ‘Goed zo, Vladce!’, roept hij. De jongen loopt stug door, zijn lichaam licht krommend om evenwicht te houden. De prei klimt een stukje omhoog. De vrouw steekt haar hand naar hem op. ‘Hoe gaat ie, Kole?’ zegt ze, haar stem forcerend om over het gejengel uit de komen. ‘Ach, koffie, bijpraten, je weet wel’, antwoordt Kole, en terwijl hij met zijn wandelstok houvast zoekt op het beton: ‘Gaat nu wel met die tas, hè?’. De man in de rolstoel gniffelt en veegt zijn neus af aan zijn vest. Het synthetische materiaal neemt geen vloeibare stof op, een slakkenspoor blijft achter. Hij wenkt het joch met de bal die de vrouw en haar zoon beteuterd nakijkt. Er is een minuut lang geen verkeer.

De muziek leidt af, een vrouw zingt nu. De jongen steekt over zonder om zich heen te kijken. De bal die niet meer functioneert als bal krijgt een ereplaats naast de wandelstok, tussen het tafeltje met de koffie en de wielen van de rolstoel die ineens ook van karton lijken gemaakt. De man met het vest legt zijn kopje op tafel en fluistert in het oor van het jongetje: ‘Ik ken nog wel iemand die een fiets nodig heeft. Tweehonderd denar?’