Met een dekentje erbij

‘Over een maand gaan we weer terug naar Nederland.’
‘Een maand. Vier weken. Shit. Echt?!’
‘Even denken. Vijf. Vijf weken.’
‘Oké, dat klinkt al iets beter.’
‘Vijf weken.’
‘Dan gaan jullie terug en blijf ik hier alleen achter.’
‘Sorry.’
‘Heb ik niemand meer om mee uit te gaan.’
‘Sorry.’
‘Kan ik alleen in Cuba koffie gaan drinken.’
‘Sorry. Maar je drinkt helemaal geen…’
‘Alleen naar Kaneo lopen, om er pas dan achter te komen dat ze dicht zijn. De hele winter.’
‘Maar dat is wel logisch, het…’
‘Is een restaurant! Ze moeten het hele jaar open blijven! Ik ben hier nu toch!’
‘Maar het wordt koud. Er zijn bijna geen toeristen meer. Niemand gaat hier met tien graden buiten zitten, aan het water.’
‘In Nederland wel!’
‘In Nederland wel. Met een dekentje erbij.’
‘Over vijf weken kunnen jullie lekker in Nederland op het terras zitten, in de kou, met een dekentje erbij. O, heerlijk. Vier euro voor een koffie.  En een glaasje water wordt Spa Blauw op de rekening.’
‘Bitch.’

De schepping van Ohrid

Terwijl we vanaf zijn balkon de haven van het meer van Ohrid overzagen, vertelde onze vriend Damjan hoe Ohrid was ontstaan. Het was natuurlijk maar een mythe, zei hij, maar vast een die we nooit eerder hadden gehoord. We spitsten onze oren.

God creëerde uiteraard het paradijs en was daar nogal tevreden over, begon Damjan, toen achter hem ineens een donker gestalte opdook. God keek om en zuchtte. Satan. Wat nú weer. (Damjan kon zich goed inleven in God, zelfs zijn stem klonk dieper dan normaal.) Satan, die niet zonder reden was komen aanwaaien, negeerde de geërgerde blik van zijn aartsvijand en zei vastberaden en op schelle toon: ‘God, kom op, laat mij nou óók eens iets moois creëeren. Een leuk landschapje, een hoge berg, een vulkaan…’ Toen God niet gelijk zijn wens inwilligde, begon hij te smeken zoals hij nooit eerder had gedaan. Dat kon God wel bekoren, die uiteindelijk antwoordde: ‘Nou, vooruit. Je mag één oord scheppen, en daarna wil ik er nooit meer iets over horen. Goed?’ Satan gniffelde binnensmonds en droop af.

Een paar uur later schiep Satan Ohrid.

De twee grootmachten ontmoetten elkaar nogmaals en keken toe hoe de zon het meer en het eraan vastgekleefde stadje goud verlichtten. ‘Maar Satan,’ zei God bijna verbaasd, ‘dit is een prachtig oord dat je hier geschapen hebt! Het oogt zo vredig en zo sereen! Het is zo bescheiden en één met de natuur’, waarop Satan zei – en hier wreef Damjan met zijn handen over elkaar, trok hij zijn wenkbrauwen op en sperde hij zijn ogen wijd open: ‘Wacht maar tot je ziet welke mensen ik erin heb gestopt.’

De fiets, de bal en het vest

Vijf, zes jongens in de leeftijd van acht tot twaalf lopen via Tropical en de supermarkt DON richting de moskee. Eén houdt met twee armen stevig het stuur van een zwartrode crossfiets vast en laat deze zigzaggend naast zich voortbewegen. Nog een ander – haren voor de ogen hangend, huppelend op afgetrapte Adidas-gympen – trapt verveeld een lekke voetbal vooruit. Een kartonnen geval haast, zonder lucht, het glimmend wit verborgen onder een dikke laag vuil van zand, grind en uren plezier.

Vandaag is de stoep de weg en de weg de stoep. Het is zondag, laat in de middag, en de wijk krioelt van de groepjes kinderen die, elk door kleurrijke attributen omgeven, uitkijken naar het eerstvolgende park of afgedankte speelplaats om te hangen en vieze woorden te roepen naar voorbijgangers die het lef hebben hen langer dan vijf seconden aan te kijken. Een parkeerplaats zal dit keer moeten voldoen.

Een vrouw, gekruld tot de schouders, schrijdt voorbij met een te zware boodschappentas, waar nog net een prei en twee rollen wc-papier uitpiepen. Het is het strakke groene topje dat haar navel bij elke linkerpas ontbloot. Ze is niet mooi, maar verzorgt zich goed, aan haar egale huid te zien. Haar nagels zijn blauw gelakt. Bij het zien van een jongen die zijn kartonnen speeltje op een autoruit laat ketsen, stopt ze, legt ze haar hoofd schuin en steekt ze rechterlijk haar vinger omhoog. Ze perst haar lippen samen en schudt afkeurend met haar hoofd. Er rijdt een bleekoranje Zastava voorbij; omdat hij moet afremmen voor een overstekende kat herkent de groep Toše Proeski uit de speakers, de Macedonische popster die enkele jaren geleden op 26-jarige leeftijd verongelukte. Een paar zinnen worden meegezongen.

Nu valt het pas op: er klinkt ook gejammer uit het huis boven de buurtsuper. Traditioneel volksgezang. De vrouw heeft de tas ondertussen neergezet, buigt naar voren zonder zich druk te maken om het fraaie uitzicht dat ze de jongens biedt en zucht diep. Van de prei zie je alleen nog het groene topje. Ze kijkt nog een keer op, legt het schouderbandje van haar hemdje recht en wijst naar de donkerblonde jongen wiens handen een paar minuten geleden nog aan de hendels van zijn fiets leken vergroeid. Hij legt het voertuig in het zand en loopt met zijn kin op zijn borst naar de vrouw. Bijna tegelijk probeert de jongen de tas op te tillen en voor de vrouw uit te lopen. De remmen waren toch al kapot.

Een man in een rolstoel rijdt midden op de al smalle weg, hij heeft een fluoriserend geel vest aan. Langzaam stuurt hij naar wat zijn doel blijkt te zijn: twee bejaarde mannen, beiden bemutst, zittend op kleine houten krukjes met drie minuscule koffiekopjes binnen handbereik. Wanneer hij stil komt te staan, piepen de banden. Ook zij zien wat er aan de overkant van de weg gebeurt. De man met de rode muts knikt. ‘Goed zo, Vladce!’, roept hij. De jongen loopt stug door, zijn lichaam licht krommend om evenwicht te houden. De prei klimt een stukje omhoog. De vrouw steekt haar hand naar hem op. ‘Hoe gaat ie, Kole?’ zegt ze, haar stem forcerend om over het gejengel uit de komen. ‘Ach, koffie, bijpraten, je weet wel’, antwoordt Kole, en terwijl hij met zijn wandelstok houvast zoekt op het beton: ‘Gaat nu wel met die tas, hè?’. De man in de rolstoel gniffelt en veegt zijn neus af aan zijn vest. Het synthetische materiaal neemt geen vloeibare stof op, een slakkenspoor blijft achter. Hij wenkt het joch met de bal die de vrouw en haar zoon beteuterd nakijkt. Er is een minuut lang geen verkeer.

De muziek leidt af, een vrouw zingt nu. De jongen steekt over zonder om zich heen te kijken. De bal die niet meer functioneert als bal krijgt een ereplaats naast de wandelstok, tussen het tafeltje met de koffie en de wielen van de rolstoel die ineens ook van karton lijken gemaakt. De man met het vest legt zijn kopje op tafel en fluistert in het oor van het jongetje: ‘Ik ken nog wel iemand die een fiets nodig heeft. Tweehonderd denar?’

Meer high-fives dan opgestoken duimen

Macedoniërs zijn fysiek ingesteld. Dat merk je alleen al aan de manier waarop ze je begroeten. Een verre tante knijpt in je wang en kust je op diezelfde plek, liefst met vochtige lippen. Een oude schoolvriend die je gisteravond nog zag, valt je vandaag in de kroeg opnieuw in de armen – blij dat je er wéér bent. Meer high-fives dan opgestoken duimen in het straatbeeld. Minstens zoveel mannen boven de zestig die elkaar knuffelen en zoenen als dat er in het hele land homofoben rondlopen. Zwaaien: alleen geoorloofd wanneer een externe macht je fysiek van de ontmoeting weerhoudt. Het is hier, kortom, enorm gezellig.

En hoe inniger de relatie, hoe lijfelijker het contact.

Vriendinnen vragen me hun rug in te smeren voor het zonnen. Terwijl ze praten, voel ik hun handen op mijn arm. Nadat ze zeggen dat mijn haar zo mooi glanst, pakken ze een pluk en laten ze die door hun ranke vingers glijden. Ze geven me spontaan een kus als ze vinden dat ik iets liefs heb gezegd. Ik protesteer nooit. Aangeraakt worden is prettig. En doodnormaal, als je je hier onder mensen begeeft.

Ik vergeet alweer bijna hoe het in Nederland was; vaak onderdrukte ik mijn enthousiasme wanneer ik een vriend of kennis zag, deed ik cool, een beetje onverschillig zelfs. Omdat ik dat gewend was. Maar hier gaat dat gewoonweg niet. Mannen, vrouwen, kinderen reiken met hun lichamen constant naar elkaar of slaan hun armen om elkaar heen ter bevestiging van een niet eens zo lang geleden gesloten broeder- of zusterschap. Warmte op de huid is warmte in de ziel.

Laatst las ik dat psycholoog Sidney Jourard in de jaren zestig cafégesprekken tussen vrienden bestudeerde, op verschillende plekken in de wereld, en dat hij ontdekte dat het bij Amerikanen tijdens een gesprek slechts twee keer tot een aanraking kwam. In dezelfde tijspanne hadden Franse vrienden al honderdtachtig keer fysiek contact met elkaar gelegd.

Honderdtachtig keer, ook wat overdreven. Of niet?

Ik besloot erop te letten. Ik bestudeerde mensen tussen wie ik vriendschap vermoedde. Op het terras, in de kroeg, lopend door smalle winkelstraten. Mensen hielden elkaar vast, op hun eigen manier, passend bij leeftijd en onderlinge relaties. Vriendinnen liepen hand in hand zonder er een statement mee te willen maken, omarmden elkaar innig bij afscheid. Vrienden stoeiden al wandelend door het winkelcentrum, porden elkaar als er iets ontbloots in hun vizier kwam. Ze gloeiden van de pret.

De tel raakte ik kwijt. Ik geloofde het wel.

Letterlijk

De manier waarop je een gesprek met een vreemde begint, hangt af van waar je woont. Dat concludeert de Amerikaanse journaliste Deborah Fallows, die met haar project Geography of Small Talk onderzoek deed naar hoe Amerikanen elkaar begroeten – van Honolulu tot Wisconsin en van New Orleans tot New York. Zo is de kans groot dat je in Kansas het tamelijk ouderwetse Who do you belong to? naar je hoofd krijgt geslingerd, terwijl New Yorkers vissen naar de voor hen allesbepalende wijk waarin je woont. Beide zijn erop gericht om je te duiden, als persoon. Om zo snel mogelijk te achterhalen tot welk deel van de gemeenschap of mensenmassa je behoort.

En dat is nog maar Amerika.

Het begon allemaal toen Fallows prompt naar ‘haar kerk’ werd gevraagd. Niet in haar woonplaats Washington D.C., maar in South Carolina, op tweederde van de route tussen New York en Florida. Twee vrouwen die ze daarover sprak, verklaarden het als een verkapte vraag naar de kring waarin je je begaf. Welke kerk? had dus net zo goed kunnen zijn Bij wie hoor jij? Niet zo gek, vond de journaliste. Al was ze zelf vooral gewend aan vragen over wat ze deed. Qua werk. En dat bleek uiteindelijk ook geheel in lijn met D.C., een stad waarin je net zo snel carrière kunt maken als macht verliezen. Je bent wat je doet.

Hoewel ik tweetalig ben opgevoed en sinds mijn tienerjaren steeds beter ‘Ohrids’ spreek, zegt dat niets over het tempo waarin ik culturele omgangsvormen aanleer. Als ik iemand tegenkom, is het: Zdravo! (Hallo!), waarna mijn gesprekspartner me vraagt: Kaj si ma?, dat Waar ben je joh, hey? betekent en dient te worden beantwoord met een simpel Evo (Nou, hier). Of neem So prajs?, letterlijk Wat ben je aan het doen?. In plaats van gewoon, net als in Nederland, te zeggen dat het goed gaat afgezien van wat drukte af en toe, steek ik doorgaans enthousiast van wal. Te letterlijk. Nou, ik liep even lekker door de stad, moet zo boodschappen doen en misschien ga ik ook nog koffie drinken ergens. Jij?

Stilte is vaak een goede graadmeter tijdens een gesprek. Een verwarde blik ook, ontdekte ik.

Gelukkig is afscheid nemen overal even ongemakkelijk. Tot de volgende keer! kan wel over vijf maanden plaatsvinden als je niet gelijk een datum prikt. De tijd vliegt niet, je hebt gewoon andere prioriteiten. En zegt dat niet hardop.

Nee, dan in dit kleine stadje. Elkaar constant tegenkomend, houden we het hier maar bij de feiten: ke se vidime – we zullen elkaar zien.

Geld is geld, vonden wij

Als kind verzamelde ik briefjes van tien denar. Waarde per biljet: 16 cent. Zoals elk kind kocht ik er af en toe ijsjes mee, maar liever gaf ik het helemaal niet uit. Samen met mijn vriendje Zoki uit de straat – hij was meer van de rinkelende munten dan van het papiergeld – telden we dagelijks onze buit, bijeengeraapt uit verschillende voor- en zijvakjes van rondslingerende tassen waarin het volgens ons toch maar lag te verpieteren. Vergeten geld van onze vaders die het liefst geen portemonnee bij zich droegen, van onze moeders die bij voorkeur alleen met pasjes afrekenden. Soms vroegen we er heel eerlijk om, maar dan visten ze naar een reden. ‘Snoep’ werd na een tijdje het codewoord, want sparen deed je niet, als achtjarige. Wisten zij veel dat we spaarden voor een hele bérg snoep.

Een stapel van tien briefjes leek al heel wat. We lieten ze stuk voor stuk door onze handen glijden, bouwden taarten van lagen papier waarvan de uithoeken uiteindelijk perfect op elkaar kwamen te liggen. Eén scheve kon resulteren in een waaier aan briefgeld, in de ineenstorting van het zorgvuldig samengestelde pakket. Als ik niet goed telde, werd het stapeltje uit mijn handen gerukt en begonnen we opnieuw aan onze verfomfaaide bouwwerkjes. Tien, twintig, dertig, veertig. De nieuwere waren het mooist, hun kleuren het felst en het minst versleten, maar de gescheurden mochten, gladgestreken en platgedrukt, toch op de stapel. Geld is geld, vonden wij.

Toen mijn opa onze obsessie ontdekte, lachte hij en zei: ‘Moet je voorstellen waar dat geld al is geweest, Arjaatje.’ Met een stapel van vijftien op elkaar gerangschikte briefjes in mijn handen – de gehavenden onderop, de gaven in het zicht – keek ik naar hem op, verward. ‘In de broekzak van een vieze man die zijn handen niet wast na het plassen, of, van de grond geraapt, precies daar waar die kat van hiernaast altijd pist.’ Ik wist precies waar de kat van de buren altijd piste, maar ik kon me niet herinneren dat ik daar ooit geld had gevonden. Zoki rook aan een van de briefjes. Hij schaterde het uit en keek zowaar trots naar mijn opa. ‘Ruik dan!’ zei hij. Ik rook eraan. Misschien was het toeval maar twee maanden later, thuis in Nederland, kreeg ik mijn eerste Pennie Rekening.

Liever dood dan bekeerd

Nog even over de Turken.

Want in mijn vorige stuk wees ik op de opstand van 1903, Ilinden of de dag van Heilige Ilias, die op 2 augustus uitbrak in de omgeving van Bitola, een plaats dicht tegen de Griekse grens. Wel: uit een Macedonisch toneelstuk van drie jaar eerder, in 1900, wordt onder andere duidelijk waarom een revolutie tegen de Turken onafwendbaar was.

De eerste tekenen van het afbrokkelende Osmaanse gezag waren halverwege de negentiende eeuw al zichtbaar. Toch was Macedonië aan het einde van die eeuw een van de weinige gebieden die nog Osmaans was; Servië en Griekenland werden in 1830 al onafhankelijk, Bulgarije in 1870. Die stonden op hun beurt weer klaar om Macedonië van de Turken over te nemen, wat daadwerkelijk gebeurde toen het land na de Balkanoorlog van 1913 in drie niet per se gelijke stukken werd gedeeld.

Er was, kortom, opwinding over aan wie Macedonië toebehoorde, ook wel ‘de Macedonische Kwestie’ genoemd. De Macedoniërs waren er heus wel mee bezig. Maar eerst moesten de Turken worden verdreven, dat was al heel wat.

Want de weerzin zat diep.

Het was genoeg geweest, na al die eeuwen.

En vergis je niet, dat kwam al een tijdje naar voren in volksliederen, gedichten en toneelstukken. Vojdan (Popgeorgiev) Černodrinski (1875-1951) schreef ze, onder andere. Sterker nog: hij was de eerste auteur die in het Macedonisch over zijn bezette vaderland schreef.

Černodrinski had geen makkelijke jeugd. Vanwege opstootjes van zijn vader met Albanese criminele bendes, helemaal niet ongewoon in West-Macedonië in die tijd, werden de eerste vijftien jaar van zijn leven getekend door een hoop verhuizingen. Toen zijn familie in 1890 dan eindelijk neerstreek in Bulgarije, begon de puber over zijn ervaringen te schrijven.

Zijn bekendste en meest geroemde drama werd Makedonska krvava svadba (Een bloedige Macedonische bruiloft), uitgebracht in 1900. Vojdan, op dat moment vijfentwintig, zette vlak daarna een professioneel Macedonisch theater op: ‘Stolčiiot Makedonski teatar’. Een verademing voor de Macedoniërs die in Bulgarije woonden, want ze konden zich in geen enkele andere publieke ruimte tot de Macedonische taal en problematiek verhouden.

De stukken die Černodrinski rond de eeuwwisseling schreef, worden vaak als revolutionair bestempeld. Een geëngageerd theater als dat van hem ontbreekt namelijk in de culturele contreien van nabijgelegen landen. De schrijver zou in de daaropvolgende jaren trouw blijven aan politieke onderwerpen die het Ottomaanse verleden en het Macedonische lot verenigen.

In het voorwoord van Makedonska krvava svadba schrijft Černodrinski dat hij over de bloedige geschiedenis van Macedonië heeft willen schrijven.

Die wás bloederig, wanneer je je verzette tegen de machthebbers.

Het verhaal speelt zich af in het bezette Macedonië en gaat over het meisje Cveta, die wordt ontvoerd door een Osmaanse ‘bey’ (rond deze tijd kreeg ‘bey’ of ‘bei’ eenzelfde soort betekenis als het Engelse ‘sir’). Al in de eerste scène wordt de aanklacht tegen het Ottomaanse gezag duidelijk, bijvoorbeeld wanneer Cveta’s broer Duko Turken met een zojuist gevangen slang vergelijkt:

Zdrobi i glaata, napraj i na parčinja,
ako mojt neka kasat posle.
Taka trebit i na Turcite da im storime
za da ne kasaat.

Verbrijzel ook de kop, hak het in stukjes,
laat ze dan maar bijten, als ze kunnen.
Zo moeten we het ook doen met de Turken
zodat ze niet gaan bijten.

Dankzij Cveta’s standvastigheid lukt het de Turk niet het islamitische geloof aan haar op te dringen. De dorpelingen weten haar te bevrijden, maar wanneer ze op het punt staat met haar geliefde Spase te trouwen, stormt de bey met zijn gevolg het dorp binnen en schiet hij zijn weggelopen bruid neer.

Cveta sluit het stuk af met de laatste woorden: ‘Ik ben doodgegaan, maar… Turkse ben ik niet geworden!’

Voor veel literatuurwetenschappers staat Cveta symbool voor het uithoudingsvermogen van de nationale (religieuze) identiteit. Cveta offert haar persoonlijke leven op, een luxueus leven als vrouw van een bey, in naam van het collectief: de in haar gemeenschap geldende religieuze normen en waarden.

Het toneelstuk werd een succes. De boodschap was duidelijk: je ging nog liever dood dan dat je je bekeerde – een gedachte die veel Macedoniërs zullen hebben gekoesterd toen ze in 1903 de strijd met hun bezetters aangingen.

Alles verandert wanneer er muziek in het spel is

Pas toen ik leerde wat het woord ‘migratie’ inhield, begreep ik hoezeer alle uithoeken van mijn familie erdoor waren beïnvloed. De grootouders van mijn oma kwamen in de negentiende eeuw vanuit Frankrijk en China naar Indonesië, een opmerkelijke verhuizing die nog altijd dient te worden uitgezocht, en mijn oma zelf verliet Indonesië voor de knappe Hollandse militair die een aantal jaar, zoals velen in de jaren veertig van de vorige eeuw, in Indië gestationeerd was geweest.

Aan mijn moeders kant volgde mijn oma haar kersverse man van Macedonië naar Servië. Beiden landen hoorden destijds weliswaar bij Joegoslavië, maar de zeshonderd kilometer afstand tussen grofweg het platteland en de stad betekende voor mijn oma, een simpel boerenmeisje uit een groot gezin, een wereld van verschil. Haar oudste dochter besloot vervolgens op haar twintigste, na in zowel Servië als in Macedonië te zijn opgegroeid, de traditie voort te zetten door op een in Macedonië rondfietsende Indisch-Nederlandse man verliefd te worden en met hem naar Nederland te emigreren. Deze exotische, beslist vol obstakels zijnde reizen en van romantiek en avontuur vervulde familiegeschiedenis eindigt in een doodgewoon Achterhoeks ziekenhuis met mijn geboorte.

Toch is mijn leven doordrongen van deze migratiegeschiedenis. Natuurlijk zie je aan mijn vader dat hij Indische roots heeft en dat ik die uiterlijke kenmerken nagenoeg mis omdat mijn Slavische kant geen gemixte relaties betreft. Maar dat zijn vanzelfsprekendheden waar ik niet dagelijks bij stilsta, behalve wanneer iemand mijn Indisch-Nederlands-Slavische samenstelling een ‘cocktail’ van verschillende culturen en rassen noemt. Dan kan ik niet doen alsof dat niet zo is, maar verzwijg ik, om het verhaal simpel en bijkans geloofwaardig te houden, de Franse en Chinese voorvaderen waar ook ik weinig weet van heb. Het zijn niet deze statische gegevens, zogenaamd voortdurend in mijn onderbewuste dolend, die invloed hebben op wat ik denk, zeg en doe. Er is iets anders, een vloeiend, altijd bewegend en veranderend fenomeen, dat me constant bewust maakt van mijn afkomst: taal.

Nu G. en ik tijdelijk in Macedonië wonen valt het meer op dan voorgaande jaren, dan wanneer we hier hoogstens twee weken de zomer vieren: er worden in dit huis van mijn oma vier talen gesproken. Nederlands natuurlijk, en Engels, omdat niet alle Nederlanders Macedonisch kunnen en niet alle Macedoniërs Nederlands. Degenen die Macedonisch spreken, doen dat omdat de meesten van ons daarin kunnen communiceren (zeven tegen drie) en we nu eenmaal in dit land verblijven. Toch zullen alleen zij die ook Servisch verstaan, doorhebben dat met name mijn oma, tante en moeder een mix van Servisch en Macedonisch hanteren – twee duidelijk van elkaar te onderscheiden talen. En dan is er nog mijn oma’s dorpse dialect, vooral in uitspraak zo hilarisch anders dan wat de rest spreekt dan wel verstaat, iets dat de boel aardig compliceert als je met zijn allen tegelijk de twee Nederlanders in het gezelschap proper Macedonisch wil leren. Alleen gebarentaal zou uitkomst bieden voor de miscommunicatie die er dagelijks onder dit dak ontstaat.

Ik heb me vaak verloren gevoeld door talen die ik niet tot in de puntjes beheerste. Eenzaam, zelfs. Want wanneer je een andere taal dan je moedertaal spreekt, verdwijnen de nuances die je anders zo bewust inzet om aan te geven hoe het met je intelligentie is gesteld. Hoe je karakter in elkaar steekt. Hoeveel je kunt bijdragen aan een serieuze discussie over politiek of de bedreigde flora en fauna van het eeuwenoude Ohridmeer. Met taal geef je aan of je humor bezit. Sarcasme kunt tonen, of ironie – toch wel de boter en zout van het leven. Maar niet alleen nuances verdwijnen. Iemand moeten overtuigen is lastiger in een taal die je alleen oraal hebt aangeleerd. Een opwellende ruzie met mijn tante breek ik doorgaans af; ik zou het in haar taal, die zij beter spreekt dan ik, altijd afleggen. Iets doen dat we beiden niet kunnen, breakdancen bijvoorbeeld, zou nog eerlijker zijn. Wat veracht ik die hulpeloosheid en dat miskende gevoel wanneer je niet precies kunt uitdrukken wat je voelt, dat uiteindelijk plaats maakt voor wederzijds onbegrip en vooroordelen die standhouden. Allemaal dankzij iets banaals als een taalbarrière. Mijn tante en ik zwijgen totdat dat we gezamenlijk kunnen lachen om iets dat geen vertaling behoeft.

Maar alles, echt alles verandert wanneer er muziek in het spel is. Muziek is melodie, een ritme, in zijn geheel een taal dat door instrumenten of een zangstem wordt gecommuniceerd en herbergt het cliché dat het de enige taal is die werkelijk iedereen begrijpt. Terwijl het juist een taal is die niemand hóeft te begrijpen. Op het moment dat we liedjes leren, melodieën meeneurieën, op ritmes bewegen waar je niet op dacht te kunnen bewegen, vinden we elkaar in een magisch midden waar geen plaats is voor discussies over het juiste woord of de meest correcte vertaling. Tekst, gezongen of gesproken, is geen vereiste om muziek mooi te vinden, om erdoor in vervoering te raken – zie hoe de concerten van Sigur Rós tot de nok toe vol staan met in trance geraakte, niet IJslands sprekende fans, en je weet dat er iets is dat taal als communicatiemiddel overstijgt.

Muziek, ja. O, muziek. Wanneer je eenmaal een Macedonisch liedje uit je hoofd hebt geleerd, kan je Macedonisch. In het Servo-Kroatisch zingend voel ik geen afstand tot de taal wier ingewikkelde grammatica ik maar nauwelijks onder de knie krijg. Als ik in het Frans wil zingen, doe ik dat. Ik zal elke nuance aanleren; niemand die me, zoals in een gesprek, kan wijzen op gebreken of een verkeerde meervoudsvorm. En als ik het Kaapverdisch Creools van Mayra Andrade’s liedjes zou leren, dan zou ik me verwant voelen met de Kaapverdische cultuur, meer nog dan wanneer ik zou weten hoe je in die taal een brood bij de bakker in Praia bestelt. Als ik naar het Spaans van de eigenlijk in Cuba geboren Mayra Andrade luister, of naar haar Franse, Engelse of Portugese liedjes – ook zij is zo’n cocktail van culturen en rassen – dan voel ik geen neiging woorden of zinnen te vertalen of iets te interpreteren dat uit haar sensuele stem en emotie toch allang te begrijpen viel.

In mijn meest fantastische dromen zing ik in alle talen die ik bij me draag. Foutloos, met een geperfectioneerde uitspraak, gebruikmakend van mijn gevoel en klankkleur om de boodschap over te brengen. Muziek is de enige taal die iedereen werkelijk begrijpt. Wanneer we thuis muziek luisteren of zingen, hoeven we elkaar een paar minuten lang even níet te begrijpen, te overtuigen of allerhande vooroordelen over elkaar in stand te houden. Onze achtergronden smelten samen: we zijn één, net zoals ik één ben met Mayra Andrade als ze me toezingt in een onbekende taal die me doet sidderen van geluk en janken van oneindige schoonheid.

Dit artikel verscheen vrijdag 27 juni op dagelijks muziekblog Nummer van de Dag.

‘Zoals wij nu praten, zo praat hij Turks’

Vier procent van de Macedonische bevolking is van Turkse afkomst. De kans dat je in het zuidwesten van het land een Albanees tegen het lijf loopt is aanzienlijk groter, aangezien ongeveer een kwart van de twee miljoen inwoners uit Albanezen bestaat. Toch is de Turkse cultuur, dankzij bijna vijf eeuwen Osmaanse overheersing in de regio, van veel grotere invloed op het dagelijkse leven van de moderne Macedoniër. De manier waarop verschilt alleen per persoon.

Zo had een Macedonische vriendin vijf jaar een relatie met een ‘Turčin’. Hun families hebben het nooit geweten.

Bussen vol jongeren vertrekken hier jaarlijks naar Turkse badplaatsen als Izmir en Bodrum, gelokt door de luxueuze resorts die nationale trekpleister Ohrid ontbeert.

Een taxichauffeur begon laatst uit zichzelf, nadat de radio berichtte over het hoge percentage huiselijk geweld in het land, zijn normen en waarden te bespreken. Wat hij hoorde vond hij beschamend, verwerpelijk. Hij kwam zelf uit een liefdevol gezin en trachtte zijn eigen kinderen goed op te voeden. ‘Ze luisteren naar me,’ zei hij, ‘en mijn jongste kan zelfs vloeiend Turks. Zoals wij nu praten, zo praat hij Turks!’

Opmerkelijk, want de meeste Macedoniërs spreken geen Turks. Een handjevol woorden hoogstens, die in de taal zijn geslopen en zo ingeburgerd zijn geraakt dat niemand het nog over oorsprong heeft – neem burek (een populair deeggerecht), masallah (prachtig, wow) of aman (goede genade). Woorden die beklijven wisselen doorgaans moeiteloos van nationaliteit.

Nog voordat de chauffeur een verklaring kon geven, nam ik onbewust aan dat hij Turkse voorouders had en zijn zoon om die reden tweetalig opvoedde. ‘Een paar van zijn buurjongetjes zijn Turks,’ klonk het echter trots, ‘hij wil met iedereen kunnen spelen en dat moedig ik aan. Anders leren we het nooit.’ Ik wist dat hij op een geslaagde multiculturele samenleving doelde, iets waar lang niet altijd sprake van is, getuige enkele confrontaties tussen de verschillende bevolkingsgroepen de afgelopen jaren.

Mijn oma’s moeder werd geboren in 1903, het jaar dat Macedoniërs voor het eerst, hoewel niet bepaald succesvol, in opstand kwamen tegen hun bezetters. Pas na de Balkanoorlog van 1913 kwam er definitief een eind aan de Turkse dominantie in de Balkan en hoewel Macedonië werd verdeeld tussen buurlanden Bulgarije, Servië en Griekenland en er dus opnieuw sprake was van onderdrukking, wordt nog elk jaar onder de naam ‘Ilinden’ de revolutie van 1903 gevierd. Het is niet vreemd dat mijn oma, geboren in 1937, opgroeide met de gedachte: de Turken, dáár zijn we na vijf eeuwen in ieder geval voorgoed van af.

Als ik haar vraag of ze zin heeft in Tursko kafe, zegt ze: ‘Ik drink Macedonische koffie’, dat zoveel betekent als dezelfde koffie zetten en die voortaan niet Turks noemen. Dat ze me met alle liefde wil leren hoe je Macedonische baklava maakt, staat buiten kijf.

Ook mijn peettante wierp een interessante gedachte op, waar het Macedoniërs en Turken betrof. Ze vertelde over delegaties uit Turkije die al jaren naar het niet bepaald florerende Macedonië komen om hotels te bouwen en privéklinieken op te zetten, te adviseren over publieke voorzieningen en meer groen in de stad.

‘Kijk naar Istanbul. Kijk naar hoe goed ze de zaken híer aanpakken’, zei ze, met minachting voor de corruptie in Macedonië dat van haar volk luie en onverschillige mensen maakte. ‘Stel je voor dat we nu nog onder het Turkse gezag leefden, hoe welvarend waren we nu dan niet geweest?’

Een stuk welvarender waarschijnlijk. En minstens zo nationalistisch, vermoed ik, wanneer er opnieuw voor onafhankelijkheid gestreden zou moeten worden.

Goede bedoelingen

Ze zitten buiten, aan een tafeltje op het terrein van het ziekenhuis waarin Loreens moeder en Hannah’s oma Flo vanwege een longontsteking is opgenomen. En waar longontsteking heerst vallen doden, dus doet Loreen Hannah in de negende aflevering van het derde seizoen van de serie Girls een verzoek.

‘Wil je oma vertellen dat je met Adam gaat trouwen?’

Hannah, verbaasd over haar moeders conservatisme, legt het idee smalend voor aan haar vriendje, die zegt überhaupt niet te willen trouwen. Een verwarde Hannah weet niet wat haar bozer maakt: het feit dat ze tegen haar stervende oma moet doen alsof ze in romantisch opzicht ‘geslaagd’ is, of dat Adam geen echtelijke toekomst met haar voor zich ziet.

Eenmaal in het ziekenhuis, wanneer hij de oude vrouw in bed ziet liggen, zegt Adam tot ieders verbazing dat hij en Hannah gaan trouwen. Omringd door een trotse Loreen, opgeluchte Hannah en lichtelijk gespannen Adam verrekt oma geen spier.

Ze fluistert haar kleinkind enkel toe: ‘Op een dag kijk je naar hem en zul je hem haten met elke vezel van je bestaan, hopende dat hij de meest gewelddadige dood ooit zal sterven – dat gaat over.’

En iedereen bedoelt het zo goed.

Toen ik mijn moeder vertelde over ons plan tijdelijk bij mijn oma in Macedonië te gaan wonen, reageerde ze uitgelaten en dankbaar. Haar moeder is sinds haar vaders dood alleen, wat extra vervelend is als je duizenden kilometers verderop een leven hebt opgebouwd. Wetende dat ik soms nogal op mezelf ben, wordt me al snel verzocht toch zeker elke dag samen met mijn oma te eten.

‘Elke dag’, zeg ik tegen mijn lief, die in alles een traditie meent te herkennen en tevreden overheerlijke zelfgemaakte maaltijden naar binnen schuift terwijl twee vrouwen in een voor hem nog niet helemaal verstaanbare taal de dag en buurt doornemen, waarbij de ene roddel wel en de andere niet wordt vertaald.

Als mijn oma na een paar weken samenwonen voor de zoveelste keer opschrikt wanneer we na een werkdag op haar bank neerploffen, met de mededeling dat we gewoon even gezellig bij haar komen zitten, zegt ze: ‘Niet naar je moeder luisteren, hoor!’ En even later, zuchtend, terwijl ze haar favoriete Turkse soapserie opzet: ‘Doe gewoon je eigen ding’, alsof ze het niet tegen ons, maar tegen zichzelf zegt.

Goede bedoelingen zijn tekenen van liefde, net zoals eerlijkheid dat is.